Download het manifest hier: Manifest Voedsel Anders (pdf)

English version: Voedsel Anders Manifesto (pdf)

Op weg naar eerlijke en duurzame voedsel- en landbouwsystemen

Het is hoog tijd voor een omslag in de huidige voedsel- en landbouwsystemen, zowel binnen als buiten Nederland en de EU. In februari 2014 vond de eerste Nederlands/Vlaamse Voedsel Anders-conferentie plaats. De conferentie aan de Wageningen Universiteit bracht een breed spectrum aan initiatieven en stromingen bijeen. Achthonderd mensen wisselden gedurende twee dagen ideeën en ervaringen uit. Tijdens deze conferentie is het proces in gang gezet dat heeft geleid tot deze visie met actiepunten. De visie vormt de basis voor de Voedsel Anders-beweging in Nederland en Vlaanderen.

Onze visie

De Voedsel Anders-beweging streeft naar eerlijke en duurzame voedsel- en landbouwsystemen met een verantwoord beheer van bodems, landschap, planten, dieren en water. We werken aan voedsel- en landbouwsystemen waarbinnen boeren en burgers meer zeggenschap hebben. We willen eerlijke, kostendekkende prijzen voor de boer in alle delen van de wereld en genoeg en gezond voedsel voor iedereen. Dat betekent werken aan zowel voedselsoevereiniteit als aan voedselzekerheid.

Voedsel Anders is een sociale beweging van diversiteit: van groepen en individuen met veel verschillen in strategie, gedachtengoed en geschiedenis. Wij verenigen ons echter in de uitgangspunten van dit manifest. We streven ernaar bruggen te slaan tussen de vele verschillende initiatieven voor eerlijke en duurzame voedsel- en landbouwsystemen. Waar mogelijk werken we toe naar gezamenlijke standpunten en activiteiten. We zoeken bovendien aansluiting bij voedselbewegingen in andere landen en regio’s.

Waarom moeten we naar een ander voedselsysteem?

Niet alleen honger maar vooral eenzijdige voedingspatronen zijn een groot probleem, waardoor twee miljard mensen ondervoed zijn. Tegelijkertijd lijden ook 500 miljoen mensen aan obesitas. Het is pijnlijk dat het merendeel van de mensen die ondervoed zijn, op het platteland wonen en voedsel produceren. Dat is niet de enige paradox: honger en ondervoeding zijn nog steeds de belangrijkste doodsoorzaak terwijl er op de wereld ruim voldoende eten is voor alle mensen. Circa een derde van de voedselproductie wordt echter verspild en ook wordt er niet voldoende en divers voedsel dáár geproduceerd waar het nodig is.

Gevangen tussen dure toeleveranciers, lage en onstabiele opbrengstprijzen, en ploeterend op land dat steeds minder voortbrengt, stoppen overal in de wereld veel boerinnen en boeren met hun bedrijf. In Nederland zijn dat er zes tot zeven per dag. Het platteland wordt overgenomen door een handvol agrarische ondernemers die met schaalvergroting en nieuwe technologie en zo min mogelijk arbeid, de toekomst tegemoet gaan. In ontwikkelingslanden zien veel boeren zich gedwongen naar de stad te gaan op zoek naar werk, wat er vaak niet is, en dat kan leiden tot een armoedig bestaan in sloppenwijken.

De geïndustrialiseerde landbouw veroorzaakt ongeveer een derde van de totale uitstoot van broeikasgassen, wat leidt tot klimaatverandering. Bovendien raakt het bodemleven en dus de bodemvruchtbaarheid door het langdurige gebruik van chemicaliën aangetast en zijn veel bodems uitgeput of juist overbemest. Oppervlaktewater en grondwater zijn vervuild en de (agro)biodiversiteit is schrikbarend afgenomen. De intensieve veehouderij brengt gezondheidsrisico’s met zich mee, zoals bijvoorbeeld antibiotica-resistentie. Hoewel er in Europa steeds hogere eisen worden gesteld aan het boerenbedrijf wat betreft milieu, dierenwelzijn en volksgezondheid, staan deze eisen onder druk van vrijhandelsverdragen zoals het TTIP-verdrag met de Verenigde Staten.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Het landbouwbeleid met zijn nadruk op productiviteit en specialisatie stimuleert wereldwijd vooral monoculturen, gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, en transport over grote afstanden. De situatie is verslechterd sinds de neoliberale hervormingen in de jaren 90, toen landbouw onderdeel ging uit maken van vrijhandelsverdragen. Door mondiale toepassing van het principe van de vrije markt werd ‘de laagste prijs’ maatgevend.

Om een aantal redenen is de vrije markttheorie echter niet toepasbaar in de landbouw. Boeren kunnen onmogelijk wereldwijd met elkaar concurreren, met name omdat de productieomstandigheden te zeer verschillen. Niet in export maar in productie voor lokale en regionale markten ligt de kracht van het boerenbedrijf. Maar omdat vrijhandelsverdragen overheden verbieden om eisen te stellen aan geïmporteerde producten op het gebied van milieu en dierenwelzijn, ontstaat een oneerlijke concurrentie met de lokale boeren, die wel aan die eisen moeten voldoen. Het wordt voor deze boeren zo onmogelijk een eerlijke prijs voor duurzaam geproduceerd voedsel te ontvangen. Boeren in het mondiale Zuiden worden bovendien van hun eigen lokale en regionale markten verdrongen door dumping van gesubsidieerde producten uit het Noorden.

Door de stijgende mondiale vraag naar veevoer en biobrandstoffen verliezen veel kleine boeren hun land en hun levensonderhoud. Landroof (Land grabbing), de soms gewelddadige maar altijd onvrijwillige onteigening van land van lokale landgebruikers door overheden en investeerders, heeft schrikbarende vormen aangenomen. Miljoenen hectares zijn verkocht of verpacht aan internationale investeerders in ontwikkelingslanden maar ook in Oost-Europa.

Tenslotte hebben burgers en boeren steeds minder te zeggen over wat ze produceren en consumeren. In feite beheersen zo’n twintig transnationale bedrijven nu het mondiale landbouw- en voedselsysteem. Met name onder zaadbedrijven, internationale graanhandelaren, verwerkende bedrijven en supermarktketens zijn het slechts enkele multinationals die het grootste deel van de markt in handen hebben. Met de wereld als werk- en afzetgebied hebben zij belang bij open grenzen en zo min mogelijk regelgeving. Hun economische én politieke macht bepaalt in grote mate landbouw- en voedselmarkten, maar ook de richting van onderzoek, het landbouwbeleid en de wetgeving. Zij beslissen in hoge mate wat boeren produceren en wat burgers eten.

Voedsel anders, ander voedsel

Overal ter wereld beseffen mensen dat het zo niet langer kan. Er zijn vele vernieuwende boeren die voor eerlijke en duurzame productiemethodes en andere teelten kiezen. Daarmee vergroten ze hun inkomen en autonomie en brengen ze nieuw leven in hun bodems. Burgers verenigen zich rond gezond voedsel en buurtmoestuinen of zetten – samen met lokale producenten – voedselnetwerken op. Velen, waaronder politici en maatschappelijke organisaties, zetten zich in voor een eerlijker handels-, investerings- en mededingingsbeleid. Er zijn academici die reageren op vragen van boeren en samen met hen kennis uitwisselen en opbouwen. Overal ter wereld staan mensen en bewegingen op die opkomen voor het recht op voedsel, water en vrije zaden.

De Voedsel Anders-beweging verenigt veel van deze individuen, organisaties en netwerken in het streven naar eerlijke en duurzame voedsel- en landbouwsystemen. Er zijn verschillende manieren waarop dit in de praktijk kan worden gebracht en al wordt gebracht. In de voedselbewegingen in Nederland en Vlaanderen en daarbuiten zien we dat dit vooral gebeurt binnen vier centrale deelgebieden:

  1. Agro-ecologie,
  2. Regionale voedselsystemen,
  3. Een rechtvaardig handels- en landbouwbeleid,
  4. Landrechten en grondpolitiek (land governance).

Deze deelgebieden vullen elkaar aan en vormen tezamen onze visie op eerlijke en duurzame landbouw- en voedselsystemen.

1. Agro-ecologie is zowel een ecologische als een sociale benadering van de landbouw. Het is een verzamelnaam van praktijken maar ook een wetenschap en een sociale beweging. Agro-ecologie zoekt manieren om lokale middelen, relaties en kennis in te zetten voor een weerbare en productieve landbouw. Deze benadering gaat uit van samenwerking met de natuur – bijvoorbeeld door kringlopen zoveel mogelijk te sluiten -, van vrije uitwisseling van zaden tussen boeren, en van ecologische praktijken in plaats van het gebruik van chemische middelen voor bemesting of plaagbestrijding. Agro-ecologie stelt het gebruik en de ontwikkeling van lokale kennis, middelen en netwerken voorop. Dit vermindert de externe afhankelijkheid van de boer en vergroot zijn of haar zeggenschap en autonomie. Agro-ecologische systemen zijn tevens klimaatbestendig, omdat nieuwe samenwerking en innovatie resulteren in gewassen en praktijken die beter zijn aangepast aan een veranderend klimaat en omdat het gebruik van fossiele brandstoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.

Agro-ecologie is uitgegroeid tot een wereldwijde beweging. Agro-ecologische principes krijgen steeds meer erkenning en worden in praktijk gebracht door boeren in samenwerking met anderen, vooral met burgers en wetenschappers. Daaronder vallen initiatieven vanuit de biologische landbouw, permacultuur, stadslandbouw en bewegingen voor voedselsoevereiniteit. Ook onder beleidsmakers en wetenschappers krijgt de ontwikkeling en versterking van agro-ecologische praktijken, samen met boeren, steeds meer aandacht.

2. Regionale voedselsystemen en agro-ecologie versterken elkaar. Korte productieketens, bijvoorbeeld in de vorm van boerderijwinkels, groentepakketten en boerenmarkten, maken de verbinding tussen burgers en boeren directer en hechter en kunnen leiden tot minder transport (dus minder CO2-uitstoot) en tot betere afstemming tussen producent en consument wat resulteert in minder voedselverspilling.

In kortere, regionale voedselsystemen hebben boeren en burgers de prijs en kwaliteit van hun voedsel meer in eigen hand. Ook is er meer ruimte voor boeren, burgers, instellingen, bedrijven en gemeentelijke overheden om hun eigen initiatieven te ontplooien en samen te werken, daarbij de duurzaamheid en het dierenwelzijn in acht nemend. Met name in sterk groeiende steden in Afrika en Azië speelt stadslandbouw een cruciale rol, zij draagt bij aan een vers en voedzaam dieet van arme bevolkingsgroepen. Voorbeelden in Nederland en Vlaanderen zijn buurtmoestuinen en schooltuinen. Vastlegging van deze ontwikkelingen in een stedelijke voedselstrategie is zeer effectief gebleken.

3. Een rechtvaardiger handels- en landbouwbeleid zorgt ervoor dat boeren een kostendekkende, stabiele prijs krijgen én dat consumenten een prijs betalen waarin alle milieu-, sociale- en dierenwelzijnskosten zijn verrekend. Als markten worden gereguleerd, kunnen regio’s zoals de EU voor een veel groter deel voorzien in hun eigen voedsel, veevoer en andere landbouwproducten. Zowel de dumping van Europese overschotten als het grote beslag op land voor de teelt van bijvoorbeeld veevoer buiten Europa wordt dan tegengegaan. Zo krijgen boeren in ontwikkelingslanden zowel hun land als hun markten terug voor hun eigen voedselproductie wat een grote bijdrage zal leveren aan voedselzekerheid.

Afspraken voor een meer gereguleerde internationale handel moeten de huidige vrijhandelsverdragen vervangen. Meer zeggenschap van burgers en boeren over het voedsel- en landbouwsysteem vervangt de huidige dominante economische en politieke macht van grote bedrijven. Mensenrechten, inclusief het recht op voedsel, de bescherming van (agro)biodiversiteit, het klimaat en duurzaam gebruik van land en water, krijgen voorrang boven handels- en investeringsbelangen. Overheden zouden de ruimte moeten heroveren om maatregelen te nemen die een gezonde, duurzaam geproduceerde voeding waarborgen.

4. Landrechten en grondpolitiek (land governance) zijn cruciaal om ervoor te zorgen dat mensen die van lokale natuurlijke hulpbronnen leven, te weten boeren, herders, vissers en jagers / verzamelaars en bosbewoners (vaak inheemse volkeren), toegang en controle houden en krijgen, over land en water en bossen maar ook tot de genetische diversiteit van vee en zaden. Dit geldt zeker ook voor vrouwen en jongeren. Het is hierbij van belang dat natuurlijke hulpbronnen niet alleen als productiemiddel worden gezien maar ook als leefgebied, landschap, en leverancier van ecosysteemdiensten, met respect voor de holistische visie op de relatie tussen mens en natuur in verschillende culturen. Het spreekt vanzelf dat bovengenoemde hulpbronnen op de eerste plaats dienen om de lokale bevolking te voeden en niet voor exportlandbouw door grootgrondbezitters of delving van olie, gas of mineralen. In Europa kunnen jongeren die staan te popelen om op agro-ecologische wijze ‘lokaal’ voedsel te produceren moeilijk aan grond komen. Daarvoor worden al wel enkele particuliere initiatieven ontplooid maar ook voor overheden ligt hier een belangrijke rol.

Samen werken aan de omslag

Op deze manier werken we aan een omslag in de praktijk, de wetenschap, de politiek en de maatschappij om te komen tot landbouw- en voedselsystemen die wereldwijd duurzaam en eerlijk zijn, waarin boeren en burgers meer zeggenschap hebben, waarin hun kennis en creativiteit benut wordt en hun waarden en aspiraties leidend zijn. Dit doen we omwille van het klimaat en de natuur, en omwille van alle huidige bewoners van deze wereld, maar ook omwille van toekomstige bewoners.

 

 

Groeiende beweging voor agro-ecologie

Volg Voedsel Anders op